Wie in Nederland geschiedenis op school krijgt, leert de tijd in tien tijdvakken in te delen. Elk tijdvak heeft een herkenbare naam en een reeks kenmerkende aspecten: ontwikkelingen die typerend zijn voor die periode. De indeling werd in 2001 voorgesteld door de commissie onder leiding van historicus Piet de Rooy en is sindsdien de ruggengraat van de kerndoelen en eindtermen. Hieronder staat elk tijdvak met jaartallen, een korte typering en verwijzingen naar uitgebreidere pagina’s op deze site.
1. Tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.Chr.)
De prehistorie: mensen leefden eerst als rondtrekkende jagers en verzamelaars. Met de landbouwrevolutie — in het Midden-Oosten vanaf ongeveer 10.000 v.Chr., in de Lage Landen pas rond 5300 v.Chr. — gingen groepen landbouw en veeteelt bedrijven en zich vast vestigen. Dat leidde tot de eerste dorpen, voedseloverschotten, specialisatie en uiteindelijk tot de eerste stedelijke samenlevingen in Mesopotamië en Egypte, waar ook het schrift ontstond. In Nederland zijn de hunebedden in Drenthe (ca. 3400–3100 v.Chr.) een bekend overblijfsel uit de late fase van dit tijdvak.
2. Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.Chr. – 500 n.Chr.)
Dit tijdvak valt samen met de oudheid. Centraal staan de Griekse stadstaten met hun wetenschappelijk denken, filosofie en de Atheense democratie, het hellenisme na Alexander de Grote, en het Romeinse Rijk dat de Middellandse Zee tot één politieke ruimte maakte. Belangrijke ontwikkelingen zijn de botsing en vermenging van de Romeinse en de Germaanse cultuur, het ontstaan van het jodendom en het christendom, en de verspreiding van het christendom binnen het rijk. Het tijdvak eindigt met de val van het West-Romeinse Rijk.
3. Tijd van monniken en ridders (500–1000)
De vroege middeleeuwen. Na het verdwijnen van het Romeinse gezag in het westen ontstond een agrarische samenleving met weinig steden en weinig geldverkeer: de hofstelsel-economie, waarin een heer met horigen op een domein leefde. Het christendom verspreidde zich door Europa, waarbij kloosters een sleutelrol speelden. Politiek leunden vorsten op het leenstelsel: land in ruil voor trouw en militaire dienst. Karel de Grote is de bekendste vorst uit deze periode. Tegelijk ontstond en verbreidde de islam zich vanaf de zevende eeuw over het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Iberië.
4. Tijd van steden en staten (1000–1500)
De volle en late middeleeuwen. Handel en landbouw groeiden, steden kregen stadsrechten en een burgerij, en de Hanze en Italiaanse handelssteden verbonden Europa. Vorsten probeerden hun gezag te centraliseren ten koste van edelen en kerk, en in veel gebieden ontstonden standenvertegenwoordigingen. Ook de kruistochten en de spanningen tussen wereldlijke en geestelijke macht horen bij dit tijdvak. Aan het eind kondigt de renaissance in Italië een nieuwe tijd aan.
5. Tijd van ontdekkers en hervormers (1500–1600)
Het begin van de vroegmoderne tijd. Europeanen zeilden naar Amerika, Afrika en Azië en begonnen aan een wereldwijde expansie met grote gevolgen voor de bevolking van andere werelddelen. Het humanisme en de renaissance veranderden kunst en wetenschap. Maarten Luther en anderen zetten de Reformatie in gang, waardoor de Latijnse kerk uiteenviel. In de Nederlanden leidde verzet tegen Filips II tot de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog.
6. Tijd van regenten en vorsten (1600–1700)
In grote delen van Europa streefden vorsten naar absolute macht; Lodewijk XIV van Frankrijk is het schoolvoorbeeld. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een uitzondering: een federatie bestuurd door stedelijke regenten, die in de Gouden Eeuw uitgroeide tot handelsmacht met de VOC en de WIC. Kenmerkend zijn ook de wetenschappelijke revolutie, de bloei van kunst en cultuur in de Republiek en het begin van de grootschalige trans-Atlantische slavenhandel waaraan ook Nederlanders deelnamen.
7. Tijd van pruiken en revoluties (1700–1800)
De achttiende eeuw: de Verlichting zette rede, natuurrechten en kritiek op traditie centraal en bracht nieuwe ideeën over staat, godsdienst en samenleving voort. Sommige vorsten probeerden die ideeën in de vorm van verlicht absolutisme toe te passen. Elders leidden ze tot democratische revoluties: de Amerikaanse Revolutie (1776), de patriottenbeweging in de Republiek en de Franse Revolutie (1789). Tegelijk bereikten de slavenhandel en de plantagekoloniën hun grootste omvang.
8. Tijd van burgers en stoommachines (1800–1900)
De Industriële Revolutie verspreidde zich vanuit Groot-Brittannië over Europa en de Verenigde Staten. Fabrieken, spoorwegen en stoomschepen veranderden werk en samenleving; de sociale kwestie riep liberalisme, socialisme en confessionele politiek op. Nationalisme en de strijd om kiesrecht en emancipatie (van arbeiders, vrouwen en religieuze groepen) zijn kenmerkend, net als het moderne imperialisme waarmee Europese landen grote delen van Afrika en Azië onder controle brachten. In 1863 schafte Nederland de slavernij in Suriname en de Antillen af.
9. Tijd van wereldoorlogen (1900–1950)
Twee wereldoorlogen bepalen dit tijdvak: de Eerste Wereldoorlog (1914–1918) en de Tweede Wereldoorlog (1939–1945). Daartussen liggen de Russische Revolutie, de crisis van de jaren dertig en de opkomst van totalitaire regimes: communisme in de Sovjet-Unie en fascisme en nationaalsocialisme in Italië en Duitsland. De Holocaust, de genocide op de Europese joden, is het meest verschrikkelijke kenmerk van dit tijdvak. Voor Nederland zie Nederland in de Tweede Wereldoorlog.
10. Tijd van televisie en computer (1950 – heden)
Na 1945 werd de wereld verdeeld door de Koude Oorlog. Europese koloniën — ook Indonesië en later Suriname — werden onafhankelijk. In West-Europa groeiden welvaart, consumptiemaatschappij en verzorgingsstaat, en begon de Europese samenwerking. Vanaf de jaren zestig veranderden normen en waarden ingrijpend (ontzuiling, emancipatie, secularisatie). Televisie en later computer en internet veranderden communicatie, en de globalisering verbond economieën en culturen wereldwijd.
Tijdvakken en tijdperken: hoe verhouden ze zich?
Naast de tien tijdvakken gebruiken historici de grovere indeling in vier tijdperken. Die twee indelingen sluiten op elkaar aan:
- Prehistorie — tijdvak 1.
- Oudheid — tijdvak 2.
- Middeleeuwen — tijdvak 3 en 4.
- Vroegmoderne tijd — tijdvak 5, 6 en 7.
- Moderne tijd — tijdvak 8, 9 en 10.
De jaartallen zijn bewust rond: ze zijn een geheugensteun, geen harde grens. Veel ontwikkelingen lopen over de grens van een tijdvak heen — de Industriële Revolutie begon bijvoorbeeld al in de achttiende eeuw in Engeland.
Tips om de tijdvakken te leren
- Leer eerst de volgorde van de namen; die vertellen al veel over de inhoud (monniken en ridders, regenten en vorsten).
- Koppel aan elk tijdvak één of twee ankerjaartallen, bijvoorbeeld 476, 800, 1517, 1568, 1789, 1914 en 1945. Zie de tijdlijn met belangrijke jaartallen.
- Oefen met de vraag ‘past dit kenmerk bij dit tijdvak, en waarom niet bij het vorige?’ — juist het verschil tussen tijdvakken maakt de indeling bruikbaar.
De officiële lijst met kenmerkende aspecten per tijdvak staat in de examenprogramma’s van het College voor Toetsen en Examens en bij SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling.