Nederlandse geschiedenis

Van de Romeinse limes langs de Rijn tot de Europese Unie: een doorlopende lijn door tweeduizend jaar geschiedenis van de Lage Landen.

Gebied:
Nederland; in bredere zin de Lage Landen (ook Vlaanderen en Luxemburg)
Tijdsbestek:
vanaf ca. 50 v.Chr. tot heden
Terugkerende thema's:
water, handel, stedelijkheid, tolerantie en staatsvorming

Romeinse tijd (ca. 50 v.Chr. – 400 n.Chr.)

De eerste schriftelijke berichten over de Lage Landen komen van Julius Caesar en Tacitus. De Rijn werd rond het begin van onze jaartelling de noordgrens van het Romeinse Rijk — de limes — met legerplaatsen als Nijmegen (Noviomagus), Utrecht (Traiectum) en Katwijk (Lugdunum). Ten noorden van de Rijn leefden Friezen, Kaninefaten en andere stammen, die afwisselend handel dreven en in opstand kwamen (de Bataafse Opstand van 69–70). Vanaf de late derde eeuw werd de grens onrustiger; in de vijfde eeuw trok Rome zich terug en vestigden zich Franken en Saksen.

Vroege middeleeuwen

In de zesde en zevende eeuw lag het gebied aan de rand van het Frankische rijk. Missionarissen als Willibrord († 739) en Bonifatius († 754) brachten het christendom; de tweede vond de dood bij Dokkum. Onder Karel de Grote werden de Saksen onderworpen (laatste veldtochten rond 800). Daarna kwamen de vikingen: in 810 belegerde een Deense vloot het handelscentrum Dorestad (bij het huidige Wijk bij Duurstede), dat enkele decennia later definitief verdween.

Volle en late middeleeuwen

Vanaf de elfde eeuw ontwikkelden zich in het gebied verschillende territoria: het graafschap Holland, Vlaanderen, Brabant, het sticht Utrecht, Gelre, Friesland. De Hollandse graven breidden zich, mede door bedijking en inpoldering, gestaag uit. Steden als Dordrecht, Utrecht, Leiden, Haarlem, Gouda, Amsterdam, maar vooral Brugge en Gent in Vlaanderen, werden dragers van nijverheid en handel. De Hanze bond plaatsen als Deventer, Kampen en Zutphen aan het Noord-Europese netwerk.

In de vijftiende eeuw brachten de Bourgondische hertogen een groot deel van de Nederlanden onder één bestuur. Filips de Goede en Karel de Stoute maakten de Lage Landen tot het rijkste gebied in Europa. Na de erfenis via Maria van Bourgondië aan de Habsburgers werden de Nederlanden in 1548 in de zogenoemde Transactie van Augsburg tot een apart geheel van zeventien gewesten verklaard.

Opstand en Republiek

Onder Filips II van Spanje liepen religieuze en politieke spanningen hoog op: de Beeldenstorm (1566), de komst van de hertog van Alva en zijn Raad van Beroerten, en vanaf 1568 de gewapende Opstand onder leiding van Willem van Oranje. Na de Unie van Utrecht (1579) en het Plakkaat van Verlatinghe (1581) verklaarden de noordelijke gewesten zich feitelijk los van Spanje. De zuidelijke Nederlanden bleven onder Spaans gezag.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een ongebruikelijk samenwerkingsverband van gewestelijke Staten. Zonder koning, met de Staten-Generaal en de stadhouder uit het Huis van Oranje, kende zij een voor de tijd opmerkelijke mate van religieuze tolerantie en publiek debat. De zeventiende eeuw geldt als haar Gouden Eeuw: de VOC en WIC dreven handel tot in Japan, Ceylon en Nieuw-Amsterdam; Amsterdam werd Europa's stapelmarkt en bankcentrum. Rembrandt, Vermeer, Hals, Steen en Ruisdael schilderden; Huygens, Spinoza, Vondel en Hooft publiceerden. De keerzijde was betrokkenheid bij de slavenhandel en plantage-economie in het Atlantisch gebied, een thema dat sinds de jaren 2010 veel nadrukkelijker in de publieke discussie is gekomen.

Het Rampjaar 1672 — gelijktijdige oorlogen met Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen — markeerde het einde van het politieke hoogtepunt. In de achttiende eeuw verloor de Republiek economisch terrein aan Engeland en Frankrijk, maar bleef ze intellectueel actief.

Bataafse en Franse tijd

Geïnspireerd door de Franse Revolutie riepen patriotten in 1795 de Bataafse Republiek uit. Na enkele staatsregelingen werd het land in 1806 omgevormd tot het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon, broer van de keizer. Van 1810 tot 1813 was Nederland zelfs direct bij Frankrijk ingelijfd. In die jaren werd een modern staatsapparaat ingevoerd: uniform recht, burgerlijke stand, decimaal stelsel, kadaster. Ook werd de scheiding van kerk en staat geformaliseerd en werd het Wetboek van Koophandel aangenomen.

Koninkrijk der Nederlanden

Na Napoleons val verenigden de grote mogendheden in 1815 Noord en Zuid in het Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I. Vanwege godsdienstige, economische en bestuurlijke tegenstellingen scheidde het zuidelijk deel zich in 1830 af als België. De Grondwet van 1848 van Thorbecke maakte Nederland tot een moderne constitutionele monarchie met ministeriële verantwoordelijkheid, directe verkiezingen voor de Tweede Kamer en klassieke grondrechten.

De tweede helft van de negentiende eeuw bracht industrialisering, spoorwegen, de schoolstrijd en de opkomst van het algemeen kiesrecht (voor mannen in 1917, voor vrouwen passief in 1917 en actief in 1919). Koloniale uitbreiding in Nederlands-Indië, waaronder de Atjeh-oorlogen, en een intensivering van cultureel leven in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam kenmerken de periode. De verzuiling — katholiek, protestants, socialistisch, liberaal — werd de typische Nederlandse organisatievorm tot ver in de twintigste eeuw.

Twintigste eeuw

Nederland bleef in de Eerste Wereldoorlog neutraal maar werd sterk door de oorlog getroffen. Na 1918 ondernam het land pogingen tot sociaal beleid (arbeidswetten, woningwet). De Tweede Wereldoorlog bracht een Duitse bezetting (1940–1945), het verraad en de deportatie van circa 104.000 Joodse landgenoten, hongerwinter (1944–1945) en de bevrijding door geallieerde troepen. In voormalig Nederlands-Indië eindigde de Japanse bezetting in 1945 met de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring; na twee militaire acties en internationale druk erkende Nederland in 1949 de soevereiniteit van de Republik Indonesia. Suriname werd onafhankelijk in 1975; de Antillen werden in fases herschikt.

Naoorlogs Nederland bouwde aan wederopbouw, Deltawerken (na de watersnood van 1953), uitbouw van de verzorgingsstaat, Europese samenwerking (medeoprichter van EGKS 1951, EEG 1957, Schengen 1985, euro 1999/2002) en een cultuur van politieke overlegeconomie. Vanaf de jaren zestig veranderde het land cultureel ingrijpend: ontzuiling, feminisme, milieubeweging, arbeidsmigratie uit onder meer Marokko, Turkije en (Noord-)Afrika, en de komst van Surinaamse Nederlanders rond 1975.

Na 1989

De laatste decennia worden in Nederland gekenmerkt door Europese verdieping (Maastricht 1992), politieke turbulentie (opkomst en neergang van nieuwe partijen, moord op Pim Fortuyn in 2002 en Theo van Gogh in 2004), debat over de multiculturele samenleving, klimaatbeleid, een financiële crisis (2008–2012) en de toeslagenaffaire, die tot het aftreden van het kabinet-Rutte III leidde in 2021. Historisch onderzoek en publiek debat richten zich verder op erkenning van het koloniale en slavernijverleden: in 2022 bood de regering daarvoor officiële excuses aan.

Verder lezen

Voor het bredere Europese en mondiale kader zie de pagina's over Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne tijd en Moderne tijd.

Nederlandstalige standaardwerken zijn onder meer de serie Geschiedenis van Nederland onder redactie van Friso Wielenga, Geschiedenis van de Nederlanden onder redactie van J.C.H. Blom en E. Lamberts, en de Canon van Nederland (uitgave van het Nationaal Comité 4 en 5 mei / Rijksoverheid). Toegankelijker zijn Een klein land in de twintigste eeuw van Piet de Rooy en De eeuw van mijn vader van Geert Mak. Voor de koloniale geschiedenis verschenen in de jaren 2020 grondige studies onder meer door Remco Raben, Wim van den Doel en de onderzoeksgroep Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945–1950.