Voorgeschiedenis
De Reformatie had een lange voorgeschiedenis. Al in de veertiende eeuw bekritiseerden de Engelse theoloog John Wyclif en in de vijftiende eeuw de Boheemse hervormer Jan Hus — op de brandstapel in 1415 — wereldlijke rijkdom van de kerk, stelden zij de Bijbel boven traditie en pleitten voor een leek toegankelijke liturgie. De boekdrukkunst (ca. 1450), het humanisme en de kritische Bijbelfilologie van Erasmus maakten zulke ideeën breed verspreidbaar en toetsbaar. Aflaathandel, nepotisme en de bouwkosten van de Sint-Pieter onder paus Leo X voedden onrust onder gelovigen en vorsten.
Luther (1517–1521)
Op 31 oktober 1517 maakte de Augustijner monnik Maarten Luther aan de universiteit van Wittenberg een reeks van 95 stellingen tegen de aflaathandel publiek — volgens de overlevering door ze op de kerkdeur te spijkeren. De stellingen, al snel in het Duits vertaald en via de drukpers rondgestuurd, raakten een snaar. Luther werd door Rome gedagvaard, bleef bij zijn standpunten op de Rijksdag van Worms (1521) — ich kann nicht anders — en werd in de ban gedaan. Keurvorst Frederik de Wijze bracht hem in verzekerde bewaring op de Wartburg, waar Luther het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde. Zijn drie kerngedachten — sola scriptura, sola gratia, sola fide — werden de theologische fundamenten van de lutherse kerk.
Zwingli en de Zwitserse Reformatie
Tegelijkertijd, en deels onafhankelijk, voerde Huldrych Zwingli vanaf 1519 in Zürich een hervorming door die radicaler was waar het de eucharistie en de beeldenverering betrof. Zijn debatten met Luther over de aanwezigheid van Christus in brood en wijn (Marburg, 1529) leidden tot een blijvende theologische splitsing tussen luthersen en gereformeerden. Zwingli sneuvelde in 1531 in de slag bij Kappel.
Calvijn
Johannes Calvijn — geboren in Noyon (Frankrijk), gevormd in het humanistische milieu en Erasmiaanse filologie — publiceerde in 1536 de eerste versie van zijn Institutio Christianae Religionis. Hij werd raadgever en praktisch leider in Genève (met een onderbreking in Straatsburg) tot zijn dood in 1564. Calvinisme kenmerkte zich door een strenge kerkelijke tucht, de nadruk op de predestinatie, en het ideaal van een gehoorzame christelijke republiek. Vanuit Genève verspreidde het gereformeerde protestantisme zich naar Frankrijk (Hugenoten), Schotland (presbyterianen onder John Knox), Engeland (puriteinen) en de Nederlanden, waar het uiteindelijk publieke kerk van de Republiek werd.
Anabaptisten en radicale reformatie
Een derde stroming ging verder dan Luther en Zwingli wilden. De zogenoemde anabaptisten verwierpen de kinderdoop, eisten een geloofsdoop van volwassenen en streefden geweldloos een gemeente van zuivere gelovigen na. Ze werden zowel door katholieken als door lutheranen en gereformeerden vervolgd. Een uitzondering was de gewelddadige episode van Munster (1534–1535), die hen in de ogen van vrijwel alle overheden compromitteerde. De Fries Menno Simons hergroepeerde hen tot een pacifistische beweging waarnaar de mennonieten tot vandaag zijn genoemd; de Nederlandse doopsgezinden komen uit diezelfde traditie voort.
Engeland en Scandinavië
In Engeland begon de breuk met Rome minder theologisch en meer dynastiek: Hendrik VIII wilde de ontbinding van zijn huwelijk met Catharina van Aragon. Zijn Act of Supremacy (1534) maakte hem hoofd van de Engelse kerk. Onder Edward VI en vooral onder Elizabeth I kreeg de Engelse kerk ("Church of England") haar eigen, protestantse maar liturgisch gematigde vorm. In de Scandinavische koninkrijken werd het lutheranisme in de jaren 1520–1540 staatsgodsdienst en bleef dat.
Contrareformatie en Trente
De Rooms-Katholieke Kerk reageerde met een eigen hervormingsprogramma. Het Concilie van Trente (1545–1563) herbevestigde doctrines die onder Luther onder druk stonden (zeven sacramenten, transsubstantiatie, gezag van de traditie naast de Bijbel), maar hervormde tegelijk kerkelijke discipline en priesteropleiding ingrijpend. Nieuwe ordes als de jezuïeten (1540) werden speerpunt van missie, onderwijs en hofpastoraat. Deze Contrareformatie — sommige historici spreken liever van een katholieke hervorming — was doorslaggevend voor het behoud van Polen, Beieren, grote delen van Zuid-Duitsland en België als katholieke regio's.
Politieke gevolgen
De religieuze breuk werd onmiddellijk een politieke krachtmeting. In het Heilige Roomse Rijk leidde de Vrede van Augsburg (1555) het beginsel cuius regio, eius religio in — de vorst bepaalde de godsdienst van het gebied. In Frankrijk volgden de Hugenotenoorlogen (1562–1598), eindigend met het Edict van Nantes. De Nederlandse Opstand tegen Filips II was tegelijk een religieus en politiek conflict; zie Tachtigjarige Oorlog. De Dertigjarige Oorlog (1618–1648) verwoestte Duitsland en eindigde met de Vrede van Westfalen, die in de praktijk een blijvende confessionele verdeling van Europa accepteerde.
Bredere gevolgen
Buiten de kerk werkte de Reformatie op veel manieren door. Ze stimuleerde alfabetisering (bijbellezen als geloofsplicht), standaardisering van landstalen (Lutherbijbel, Statenvertaling), nieuwe vormen van kerkmuziek (Bach komt uit deze traditie) en een kritische tekstfilologie die ook buiten de theologie vruchten afwierp. Max Weber verbond het calvinisme aan de opkomst van modern kapitalisme — een stelling die sinds 1905 eindeloos is aangevochten maar niet zonder grond. Tegelijkertijd was de periode een lange reeks gewelddadigheden: godsdienstoorlogen, vervolgingen, massaal getolereerd of geïnstigeerd geweld, met miljoenen doden in Midden-Europa alleen al.
Verwant
Zie voor context Vroegmoderne tijd, voor de Nederlandse lijn Tachtigjarige Oorlog en Willem van Oranje, en voor de bredere culturele achtergrond Renaissance.