Tachtigjarige Oorlog

Tachtig jaar van Opstand, belegeringen en onderhandelingen — uiteindelijk erkende Spanje in 1648 de onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Periode:
1568–1648 (met Twaalfjarig Bestand 1609–1621)
Partijen:
opstandige Nederlandse gewesten vs. de Spaans-Habsburgse kroon
Einde:
Vrede van Münster, 15 mei / 30 januari 1648

Oorzaken

De Opstand kende drie verweven oorzaken. Bestuurlijk: Filips II van Spanje probeerde de zeventien Nederlandse gewesten, die hij van zijn vader Karel V had geërfd, vanuit Madrid strakker te besturen, met verminderde rol voor Staten-Generaal en lokale privileges. Religieus: de vervolging van protestanten — ook gematigden — via plakkaten en de inquisitie stuitte op weerstand van zowel calvinisten als meer tolerant ingestelde katholieken. Economisch en sociaal: stijgende belastingen in een tijd van hongersnoden en een neergaande textielconjunctuur voedden de spanningen. Het keerpunt aan vooravond was het Smeekschrift der Edelen (5 april 1566) en de Beeldenstorm (augustus 1566), beantwoord met de komst van de hertog van Alva (1567) en de instelling van de Raad van Beroerten.

Fasen

Historici onderscheiden doorgaans vier fasen.

1568–1576: Alva, eerste invallen, geuzen

Willem van Oranje viel in 1568 in vanuit Dillenburg (slag bij Heiligerlee, Jemmingen). Echte doorbraak kwam pas in 1572 met de inname van Den Briel door watergeuzen; vrijwel heel Holland en Zeeland sloot zich aan. Alva, daarna Luis de Requesens, reageerde hard (bloedbad van Naarden, Zutphen, Haarlem), maar financiële problemen van Spanje en de zeggenschap van de Staten-Generaal in Brussel leidden tot muiterijen. De Spaanse Furie van Antwerpen (1576) kostte de stad naar schatting 7.000 inwoners het leven en maakte een gezamenlijke reactie mogelijk via de Pacificatie van Gent (november 1576).

1576–1585: breuk tussen noord en zuid

Onder de nieuwe landvoogd Alessandro Farnese — uitgesproken militair én onderhandelaar — viel de eenheid van de Pacificatie uiteen. De katholieke zuidelijke gewesten sloten in januari 1579 de Unie van Atrecht en verzoenden zich met Filips; de noordelijke ondertekenden de Unie van Utrecht en vormden daarmee het staatkundig fundament van de latere Republiek. Het Plakkaat van Verlatinghe (26 juli 1581) verklaarde Filips afgezet als heer. Antwerpen, Gent, Brussel en Brugge vielen in 1584–1585 opnieuw in Spaanse handen; Willem van Oranje werd in 1584 in Delft vermoord.

1585–1609: van verdediging naar offensief

Onder Maurits van Oranje en raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt ging de Republiek in het offensief. Maurits reorganiseerde het leger (discipline, boekhouding, ingenieursgeneraal Simon Stevin) en heroverde een reeks vestingen — "de Tien Jaren" 1590–1600 van systematische herovering. Geavanceerde belegeringstechniek en verdediging maakten indruk tot in Azië. Inmiddels voer de Republiek ook ter zee: VOC (1602) en WIC (1621) verbonden de oorlog direct aan wereldwijde handelsbelangen. Het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) bracht rust én een conflict binnenshuis tussen remonstranten en contraremonstranten dat eindigde met de executie van Oldenbarnevelt (1619).

1621–1648: tweede fase, internationale oorlog

Na het Bestand werd de oorlog hervat, nu vervlochten met de Dertigjarige Oorlog. Frederik Hendrik — stedendwinger — veroverde 's-Hertogenbosch (1629), Maastricht (1632) en Breda (1637). Admiraal Piet Hein kaapte in 1628 de Spaanse zilvervloot bij Cuba. Op zee eindigde de slag bij Duins (1639) in een vernietiging van de Spaanse vloot door Maarten Tromp. Spanje kwam door oorlogen op meer fronten (Frankrijk, Portugal, Catalonië) in definitieve financiële moeilijkheden.

Vrede van Münster

Parallel aan de Dertigjarige Oorlog onderhandelden de partijen in Münster en Osnabrück. Op 30 januari 1648 werd het verdrag tussen Spanje en de Republiek ondertekend; op 15 mei werd het plechtig bekrachtigd. Spanje erkende de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als onafhankelijke staat. De Schelde bleef voor zeeverkeer gesloten — de boete voor Antwerpen, de winst voor Amsterdam. De Republiek behield bezettingen in Brabant, Limburg, Zeeuws-Vlaanderen ("Generaliteitslanden") en mocht haar koloniale verworvenheden behouden.

Betekenis en nalatenschap

De oorlog gaf de Noordelijke Nederlanden niet alleen staatkundige onafhankelijkheid, maar tekende ook het karakter van de jonge Republiek: een federatie van gewesten, een stadhouder uit Oranje-Nassau, een publieke kerk die gereformeerd was maar in de praktijk religieuze diversiteit toeliet, en een economische infrastructuur die in de zeventiende eeuw tot de Gouden Eeuw zou uitgroeien.

De zuidelijke Nederlanden bleven Spaans (en later Oostenrijks) tot de Franse Revolutie; de economische zwaartepunt verschoof definitief naar het noorden. De identificatie met de Opstand werd in de negentiende eeuw onderdeel van de nationale canon. Moderne historiografie (o.m. Jonathan Israel, Anton van der Lem, Judith Pollmann) benadrukt dat de strijd geen rechte lijn kende, dat er veel wederzijds geweld en verraad was, en dat de scheiding tussen protestants noord en katholiek zuid grotendeels militair bepaald is, niet religieus voorgeprogrammeerd.

Verwant

Voor de hoofdrolspeler zie Willem van Oranje, voor de religieuze achtergrond Reformatie, voor de eeuw die hierna volgde Gouden Eeuw en VOC, en voor de staatsvorm en context Nederlandse geschiedenis.