Kruistochten

Twee eeuwen militaire expedities vanuit Latijns christelijk Europa naar het oostelijke Middellandse Zeegebied — en hun doorwerking tot vandaag.

Klassieke kruistochten naar het Heilige Land:
1096–1099, 1147–1149, 1189–1192, 1202–1204, 1217–1221, 1228–1229, 1248–1254, 1270
Overige kruistochten:
Reconquista, Albigenzerkruistocht, Noordse Kruistochten, kinderkruistocht (1212), kruistochten tegen de Ottomanen
Kruisvaardersstaten:
Koninkrijk Jeruzalem, Graafschap Edessa, Vorstendom Antiochië, Graafschap Tripoli (1098–1291)

Context

Aan het einde van de elfde eeuw veranderden drie factoren in elkaars nabijheid. Ten eerste was de Latijnse kerk na de grote schisma van 1054 in een krachtige hervormingsfase: de pausen eisten meer autonomie tegenover wereldlijke vorsten en zochten projecten om hun gezag zichtbaar te maken. Ten tweede was de islamitische politieke eenheid in het Nabije Oosten verbroken; de Seltsjoeken veroverden grote delen van Klein-Azië en in 1071 versloegen ze Byzantium bij Manzikert. Keizer Alexios I Komnenos vroeg om westerse hulp. Ten derde bood een grote expeditie een uitweg voor een West-Europese ridderklasse met te veel zoons en te weinig land; pelgrimage naar Jeruzalem was bovendien in opkomst.

Eerste Kruistocht (1096–1099)

Op het Concilie van Clermont in november 1095 riep paus Urbanus II op tot gewapende steun aan oostelijke christenen en bevrijding van het Heilige Graf. De reactie was overweldigend. Een slechtbewapend vroeg leger onder Peter de Kluizenaar werd in 1096 in Anatolië vrijwel geheel vernietigd. De belangrijkste expeditie — vier legers onder Godfried van Bouillon, Bohemund van Tarente, Raymond van Toulouse en Robert van Vlaanderen — kwam in 1097 in Constantinopel bijeen, nam Nicaea in, versloeg de Seltsjoeken bij Dorylaeum, belegerde met moeite Antiochië en bereikte in 1099 Jeruzalem. De stad werd op 15 juli 1099 bestormd; de daaropvolgende slachting onder moslims en Joden zou op de geschiedenis van het conflict een lange schaduw werpen. Uit deze tocht ontstonden vier kruisvaardersstaten.

Tweede en Derde Kruistocht

De val van Edessa aan de Seltsjoeken (1144) bracht Bernardus van Clairvaux tot de oproep voor een Tweede Kruistocht. Ondanks leiderschap van de Franse koning Lodewijk VII en keizer Koenraad III eindigde die in 1149 in mislukking. Veel ingrijpender was de Derde Kruistocht, na de val van Jeruzalem aan Saladin (Salah ad-Din Yusuf ibn Ayyub) in 1187 in de nasleep van zijn zege bij Hattin. Een coalitie van Richard Leeuwenhart (Engeland), Filips II Augustus (Frankrijk) en Frederik Barbarossa (Heilig Rooms Rijk, verdronken onderweg) heroverde Akko (1191) en een kuststrook, maar niet Jeruzalem. De Vrede van Ramla (1192) liet Jeruzalem in moslimhanden maar stond pelgrimage toe.

Vierde Kruistocht en kruistochten in de dertiende eeuw

De Vierde Kruistocht (1202–1204) is berucht: in plaats van Egypte of Jeruzalem belegerden en plunderden de kruisvaarders op voorspraak van Venetië de christelijke stad Zara (1202) en vervolgens Constantinopel (1204). Het Byzantijnse Rijk werd vervangen door een Latijns Keizerrijk dat tot 1261 bestond; het culturele en geopolitieke verlies voor het oostelijk christendom was onherstelbaar. De Vijfde (Egypte) en Zevende Kruistocht (Egypte en Palestina, onder Lodewijk IX van Frankrijk) faalden eveneens. De Zesde Kruistocht van keizer Frederik II (1228–1229) verkreeg door onderhandeling tijdelijk Jeruzalem. In 1291 viel Akko, de laatste belangrijke kruisvaardersstad, aan de Mamluken; de kruisvaarders­staten hielden op te bestaan.

Andere kruistochten

De term cruciata werd later ook gebruikt voor expedities in andere richtingen: de Reconquista in Iberië (tot 1492), de Albigenzerkruistocht tegen de Katharen in Zuid-Frankrijk (1209–1229), de Baltische of Noordse Kruistochten tegen heidense Prusen en Lijflanders (twaalfde–vijftiende eeuw), kruistochten tegen de Hussieten (vijftiende eeuw) en het verzet tegen Ottomaanse opmars op de Balkan. Het blijft historiografisch een discussie welk gewicht die uitgebreide toepassing krijgt.

Militaire ordes

Uit de kruistochten ontstonden religieuze ridderordes: de Tempeliers (gesticht ca. 1119, opgeheven 1312 onder druk van de Franse kroon), de Johannieters of Hospitaalridders (later de Orde van Malta) en de Duitse Orde, die zich vanaf de dertiende eeuw vooral richtte op de Baltische rand van Europa. Zij waren tegelijk klooster, leger, bank en grondbezitter.

Nalatenschap en historiografie

Economisch hadden de kruistochten vooral invloed omdat ze Italiaanse havens (Venetië, Genua, Pisa) tot spelers in het Levantijnse netwerk maakten. Culturele uitwisseling — vertalingen van Arabische en Griekse werken, architectuur, luxegoederen — liep in deze eeuwen op gang, al niet alleen dankzij de kruistochten maar ook via Sicilië en Al-Andalus. Voor de islamitische wereld bleven de kruistochten in eerste instantie een regionale kwestie; pas in de negentiende en twintigste eeuw werden zij retrospectief een hoofdstuk van de moderne politieke geschiedenis.

In de westerse beeldvorming gingen de kruistochten na de Verlichting vrijwel altijd vergezeld van een moreel oordeel: voor Voltaire rampzalig fanatisme, voor romantici ridderlijk ideaal. De hedendaagse academische historiografie (Jonathan Riley-Smith, Christopher Tyerman, Thomas Asbridge) probeert beide polen te vermijden en aandacht te geven aan motivaties van de deelnemers zelf, die het vooral als bewapende pelgrimage met zielenheil als doel zagen. Dat maakt hen niet minder gewelddadig maar wel historisch beter plaatsbaar.

Verwant

Zie voor de bredere context Middeleeuwen; voor de religieuze breuk enkele eeuwen later Reformatie; voor een sleutelfiguur in de periode Karel de Grote (als voorganger die de politieke christenheid mee vormgaf).