Van koningschap naar Republiek
Volgens de overlevering stichtten Romulus en Remus Rome in 753 v.Chr. Zeven koningen zouden de stad vervolgens geregeerd hebben totdat de laatste, Tarquinius Superbus, in 509 v.Chr. werd verdreven. De Romeinse Republiek verving de kroon door twee jaarlijks gekozen consuls, een senaat met adviserende en normatieve functies, en een reeks volksvergaderingen. Belangrijke magistraten — quaestoren, aedielen, praetoren, censoren — vormden samen de cursus honorum. Een tweedeling patriciërs-plebejers tekende de binnenlandse politiek van de vroege en midden-Republiek, met de Twaalftafelenwet (ca. 451 v.Chr.) als een vroege codificatie.
Uitbreiding
In de vijfde en vierde eeuw v.Chr. onderwierp Rome langzaam Italië. De drie Punische Oorlogen tegen Carthago (264–146 v.Chr.) maakten het een mediterrane mogendheid; Sicilië, Sardinië, Corsica, Hispania en uiteindelijk Noord-Afrika werden provincies. Parallel daaraan liep de onderwerping van hellenistische koninkrijken in Griekenland, Macedonië en Klein-Azië. Aan het einde van de tweede eeuw v.Chr. was Rome de onbetwiste macht rond de Middellandse Zee — een feit dat inwendig spanningen gaf. Hervormingspogingen van de gebroeders Gracchus, de strijd tussen Marius en Sulla, en uiteindelijk de rol van figuren als Julius Caesar en Pompeius leidden tot het einde van de Republiek.
Principaat
Na de slag bij Actium (31 v.Chr.) stond Octavianus alleen. In 27 v.Chr. nam hij de titel Augustus aan en ontwierp hij een regeringsvorm die alle republikeinse vormen in stand hield maar de feitelijke macht in één persoon concentreerde — het principaat. Onder de Julisch-Claudische dynastie (Augustus, Tiberius, Caligula, Claudius, Nero) werd het systeem gevestigd; onder de Flaviërs (Vespasianus, Titus, Domitianus) en vooral de zogenoemde Vijf goede keizers (Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius, Marcus Aurelius, 96–180) bereikte het rijk haar hoogtepunt in stabiliteit, uitbreiding en welvaart.
Crises en laat-Romeinse fase
De derde eeuw bracht de zogenoemde Crisis van de derde eeuw (235–284): keizers volgden elkaar snel op, de grenzen kwamen onder druk, pestepidemieën en muntontwaarding ondermijnden de economie. Diocletianus (r. 284–305) herstelde orde met een tetrarchie (vier co-regeerders), administratieve hervormingen en een zware staatsbemoeienis. Constantijn de Grote (306–337) legaliseerde het christendom (Edict van Milaan, 313) en stichtte Constantinopel (330). Na de definitieve splitsing van 395 in een westelijke en oostelijke helft liep de westelijke kant uit op de val van het West-Romeinse Rijk in 476. In het oosten hield het rijk — intern Romeins, extern Byzantijns — stand tot de val van Constantinopel in 1453.
Bestuur en leger
Een uitgestrekt rijk met beperkte communicatiemiddelen werkte dankzij een pragmatische bestuursvorm: delegatie aan provinciale gouverneurs, stedelijke zelfbestuur in de honderden gemeenten, rationele wegen en havens, en een leger van doorgaans 25 tot 33 legioenen. Romeinse burgerrechten waren aanvankelijk exclusief; de Constitutio Antoniniana van Caracalla (212 n.Chr.) verleende vrijwel alle vrije inwoners het burgerrecht, wat bestuur en recht uniformeerde.
Recht en taal
Het Romeinse recht is de langdurigste nalatenschap. De verzameling onder Justinianus — Corpus Iuris Civilis (529–534), hoewel dat een Oost-Romeinse codificatie was — bleef in het westen en oosten voortleven en werd vanaf de twaalfde eeuw aan Italiaanse universiteiten opnieuw bestudeerd. Het vormt nog altijd de basis van continentaal-Europese civielrechtelijke tradities, inclusief het Nederlandse. Het Latijn bleef tot in de achttiende eeuw taal van wetenschap en tot in de twintigste eeuw van de Rooms-Katholieke Kerk, terwijl het zich ontwikkelde tot de Romaanse talen (Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Roemeens).
Cultuur
De Romeinse literatuur nam veel over van het Grieks maar gaf er eigen accenten aan: de poëzie van Vergilius, Horatius, Ovidius, de toneelstukken van Plautus en Terentius, de geschiedschrijving van Livius en Tacitus, de filosofie van Cicero en Seneca. Architectonisch ontwikkelde Rome de boog, het gewelf en de betonbouw; het Colosseum, het Pantheon en aquaducten als het Pont du Gard getuigen daarvan. De graf- en woonkunst van Pompeii en Herculaneum werd door de vulkaanuitbarsting van 79 n.Chr. bewaard.
Nalatenschap
Het Romeinse Rijk is wellicht het meest continu nawerkende rijk uit de geschiedenis. Het middeleeuwse Heilige Roomse Rijk zag zich als zijn voortzetting; het Byzantijnse Rijk noemde zichzelf consequent Romeins; de tsaren van Rusland ontleenden hun titel aan Caesar; het fascistische Italië van Mussolini pretendeerde een derde Rome. Ook in de Verlichting en de Amerikaanse staatsvorming was Romeinse republiek-ideologie een referentiepunt. Tegelijk mag men zich niet laten vangen door de herinneringscultuur: veel van wat we nu over "Romeins bestuur" of "Romeinse beschaving" romantisch vinden, was in werkelijkheid ongelijk, gewelddadig en gebaseerd op slavernij.
Verwant
Zie voor de val Val van het West-Romeinse Rijk; voor sleutelfiguren Julius Caesar; voor het tijdvak Oudheid; voor de Romeinse limes langs de Rijn Nederlandse geschiedenis.